|
KUNSTWERKEN
Het Canal du Midi staat sinds 1996 op de werelderfgoedlijst van
de Unesco. Maar ook andere Franse kanalen en rivieren zijn meesterwerken
van waterbouwkunde, die het verdienen om behouden (en onderhouden!) te
blijven. In en langs deze vaarwegen tref je ook letterlijk talloze 'kunstwerken'
aan, in de waterbouwkundige zin van dit woord: stuwen, sluizen, bruggen, aquaducten, tunnels…
STUWEN
SLUIZEN
SCHEEPSLIFTEN & HELLENDE VLAKKEN
SPAARBEKKENS
AQUADUCTEN
TUNNELS
BRUGGEN
SLUISMEESTERHUIZEN
STUWEN
Een stuw is een waterdichte constructie dwars over een rivier, bedoeld om het waterpeil te verhogen. De oudste stuwen waren van hout of steen en dienden voor irrigatie of om watermolens te voeden. Vanaf de late Middeleeuwen werden ook stuwen aangelegd om de bevaarbaarheid van ondiepe rivieren te verbeteren.
Deze stuwen waren voorzien van een scheepvaartopening, 'pertuis' genaamd, die met balken, de 'porte marinière', afgesloten werd. Het doorvaren van zo'n pertuis met een schip of houtvlot was vanwege de stroming en het hoogteverschil behoorlijk riskant. Later werd dit probleem opgelost door sluizen naast de stuwen te bouwen.
Maar bij grote rivieren in vlakke gebieden, zoals de Seine en Marne, zouden zulke vaste stuwen bij hoog water tot overstromingen leiden. De oplossing hier voor was de beweegbare stuw, in 1834 uitgevonden door Charles Poirée. Deze Franse ingenieur bedacht een systeem van haaks op de rivier staande metalen frames, aan de onderzijde met een scharnier aan een fundering bevestigd, en aan de bovenzijde onderling verbonden door balken en een loopbrug voor de stuwwachter. Tegen deze constructie worden paaltjes of planken geplaatst, die aan de onderzijde door de waterdruk tegen een drempel gedrukt worden. Deze paaltjes (in het Frans 'aiguilles' ofwel naalden genoemd) vormen een waterdichte afsluiting. Bij hoog water worden de paaltjes verwijderd, waarna de metalen frames plat op de bodem kunnen klappen zodat het water vrij kan stromen en de schepen er overheen kunnen varen.
Op veel kleinere Franse rivieren zijn deze kenmerkende, eenvoudige en effectieve stuwen nog steeds in gebruik. Helaas zijn ze vaak slecht onderhouden, en wordt hun bediening tegenwoordig als te arbeidsintensief en te gevaarlijk beschouwd. Geleidelijk worden de naaldenstuwen, net als hun directe 'mechanische' opvolgers (stuwen met houten schotjes of metalen kleppen) vervangen door moderne hydraulische stuwen.
SLUIZEN
Met behulp van sluizen kunnen schepen hoogteverschillen overbruggen. Een schutsluis bestaat uit
een 'kolk', een bak water, waarin een of meerdere schepen passen. Deze sluiskolk
wordt aan beide zijkanten afgesloten door de sluismuren, en aan de voor-
en achterkant door deuren, waardoor het schip aan de ene kant de sluis
invaart en aan de andere kant er weer uit.
De eerste sluizen waren houten constructies, te vergelijken met twee 'pertuis' achter elkaar. Het principe van de schutsluis met aan beide zijden twee puntdeuren (deuren die tegen de waterdruk in staan) is waarschijnlijk in de vijftiende eeuw in Italië ontwikkeld en vervolgens door Leonardo da Vinci verbeterd en in Frankrijk ingevoerd.
Door kleppen of verlaten, in de deuren of muren, te
openen kan de sluis leeg lopen in het kanaalgedeelte aan de benedenzijde
of vol lopen vanuit het pand aan de bovenkant. Het schip gaat met het
waterniveau mee omlaag (afschutten) of omhoog (opschutten). Hoewel het
principe in de loop der eeuwen hetzelfde is gebleven, zijn er wat de technische
uitvoering betreft talloze verbeteringen en variaties
toegepast.
Zo bestaan er schuine en rechte sluismuren, en rechthoekige,
ovale en zelfs ronde sluizen. Er worden houten, ijzeren en kunststof sluisdeuren
gebruikt. Dit kunnen enkele of dubbele, draai-, schuif-, hef- of kanteldeuren
zijn, hangend of drijvend. De verlaten kunnen met de hand bediend, elektrisch of hydraulisch aangedreven worden. Het kunnen eenvoudige schuiven
in de deuren zijn, of constructies waarbij het water eerst door een gang
in de sluismuur loopt alvorens in de kolk te stromen.
Ook de afmetingen van sluizen
kunnen behoorlijk variëren. De standaard Franse sluis was begin deze
eeuw veertig meter lang en 5.20 meter breed, maar die in het (inmiddels gedeclasseerde
en gedeeltelijk gedempte) Canal du Berry zijn altijd 28 bij 2.70 meter
gebleven. De sluis van Bollène op de Rhône, kort na de Tweede Wereldoorlog
gebouwd, is daarentegen 195 meter lang en twaalf meter breed. Deze sluis was destijds ook
de diepste (26 meter) ter wereld.
Om een groot hoogteverschil
over korte afstand te overbruggen bouwde men vroeger meerdere sluizen
dicht achter elkaar. Bij een sluizentrap of dubbele sluis is de bovendeur
van de ene sluis meteen de benedendeur van de andere. Sluizentrappen vind
je vooral in de oudste kanalen, zoals in het Canal du Midi bij Béziers
en in het Canal de Briare bij Rogny.
Sluizentrappen kosten echter het
kanaal veel water en de schipper veel tijd, omdat schepen elkaar niet tegen
kunnen komen. Nadien stapte men over op de bouw van meerdere sluizen achter
elkaar, met korte panden ertussen waarin de schepen elkaar kunnen passeren.
Een bekende 'sluizenvallei', die nog steeds in gebruik is, is die van Montgon
in het Canal des Ardennes, met 27 sluizen op negen kilometer. Ook in Bretagne zijn veel sluizen op korte afstand van elkaar gebouwd.
SCHEEPSLIFTEN & HELLENDE VLAKKEN
Scheepsliften
en hellende vlakken zijn meestal gebouwd ter vervanging van een bestaande
sluizentrap of vallei. Dat geldt ook voor de enige Franse scheepslift, die van Fontinettes
bij Arques (1888 gebouwd, 13 meter hoog). Sinds 1967 is deze op zijn beurt
echter ook niet meer in gebruik, maar gaat de scheepvaart via een diepe
sluis die er naast ligt. Deze scheepslift werkte als een soort weegschaal
op waterdruk: als de ene bak omlaag ging, ging de andere omhoog.
Het
hellend vlak (in het Frans 'plan incliné') van Arzviller uit 1969
in het Canal de la Marne au Rhin vervangt een vallei van 17 sluizen op
vier kilometer. Een schip vaart hier door een hefdeur, die het kanaal afsluit,
in een bak die aan de voor- en achterkant ook weer door deuren wordt afgesloten.
Deze bak rijdt met water en schip vervolgens dwarsuit over rails, langs
een helling van 41 procent, ruim 44,5 meter omlaag of omhoog. Zware contra-gewichten
aan kabels gaan in de tegenovergestelde richting. Het geheel wordt in
beweging gezet door twee elektromotoren.
In de jaren 1970-1980 heeft
men bij Montech (Canal latéral à la Garonne) en Fonsérannes (Midi), twee 'waterhellingen'
aangelegd, in het Frans 'pente d'eau'. Voor het schip bevindt zich, opvarend
gezien, een gedeeltelijk droogstaande helling, achter het schip gaat een
deur dicht. Het schip wordt vervolgens met deur en al, in een wig water,
langs de helling (drie procent, 443 meter lang) dertien meter omhoog getrokken door twee
zware locomotieven. Uiteraard wordt aan de bovenkant het kanaal door een
deur afgesloten tot het water gelijk staat. Deze kunstwerken zijn meestal buiten
gebruik nu er geen bedrijfsvaart meer in het Canal du Midi is.
SPAARBEKKENS
Een kanaal dat hoog boven het
rivierniveau is aangelegd moet op kunstmatige wijze van water worden voorzien.
Bij iedere schutting loopt immers een bepaalde hoeveelheid water weg.
Daarnaast vermindert de hoeveelheid water in een kanaal ook voortdurend
door lekkage en verdamping, zodat het constant gevoed moet worden. Men
kan een kanaal van water voorzien door er beekjes naar toe te leiden,
maar die voeren in de zomer vaak te weinig water aan. Daarom zijn er voor
veel kanalen stuwmeren aangelegd, die in de winter gevuld worden en vanwaaruit
het scheidingspand de rest van het jaar van water wordt voorzien.
Veel spaarbekkens
worden tegenwoordig echter voor recreatiedoeleinden gebruikt. Dit heeft als consequentie dat het waterniveau in
deze meren, vanwege de aanleg van steigers en stranden, vaak niet meer
beneden een bepaald niveau mag zakken. Hierdoor kunnen ze, ironisch genoeg,
in droge periodes niet meer voor de functie waarvoor ze bedoeld zijn gebruikt
worden !
AQUADUCTEN
Een aquaduct is eigenlijk een
brug met water erin, het Franse woord is 'pont-canal'. Aquaducten zijn
aangelegd om met het kanaal een rivier (of weg) te kunnen overbruggen. De meeste
aquaducten dateren uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Toen men technisch
nog niet in staat was om aquaducten te bouwen moest een schip eerst vanuit
het kanaal omlaag de rivier in schutten, deze oversteken en vervolgens
aan de andere kant weer omhoog het kanaal in door een sluis. Die oversteek
was door stroming en wisselende waterstanden vaak een riskante onderneming.
De oudste aquaducten zijn
gemetseld, later maakte men ze van ijzer en daarna van beton. In het (gedeclasseerde) Canal de la Haute-Seine ligt overigens nog een houten aquaduct. Het bekendste
aquaduct is wel dat over de Loire, bij Briare. Dit metalen aquaduct is
663 meter lang en werd in 1896 geopend. Het wordt vaak ten onrechte aan Eiffel
toegeschreven.
TUNNELS
Tunnels (in het Frans 'voûte'
of 'souterrain') worden gebruikt om het traject van een kanaal te verkorten,
in de lengte en/of in de hoogte. Ze lopen bijvoorbeeld dwars door een heuvel,
zodat het kanaal er niet omheen gelegd hoeft te worden. Zulke ondergrondse
passages vind je dan ook vaak in een scheidingspand, het hoogste punt
van een kanaal. Het voordeel is dat de hoogte naar de top van de berg
niet aan twee kanten met een groot aantal sluizen overbrugd hoeft te worden. Ook tref je in Frankrijk veel tunnels aan in bochtafsnijdingen in rivieren. Soms zit er zelfs nog een sluis in de tunnel, bijvoorbeeld bij Besançon op de Doubs en op de Lot.
Maar ook de aanleg van een tunnel was een moeilijke
en dure klus. De meesten zijn dan ook zo laag en smal mogelijk gebouwd, wat inhoudt
dat er eenrichtingsverkeer is.
De tunnel van Pouilly in het Canal de Bourgogne is maar drie meter hoog: lege schepen gingen hier
in een speciale bak door heen, waarmee hun doorvaarthoogte omlaag gebracht
kon worden. Ook het tunneltje van Ham op de Maas is behoorlijk krap voor lege spitsen. Het tunneltje van Condes in het Canal entre Champagne et Bourgogne is daarentegen twee spitsen breed.
De tunnel van Ruyaulcourt in het Canal
du Nord heeft in het midden een verbreding waar schepen elkaar
tegen kunnen komen. De grootste Franse scheepvaarttunnel was het Souterrain du Rove,
waarlangs grote schepen van de Rhône naar Marseille konden. Deze tunnel,
die in 1926 werd geopend, is 7,3 kilometer lang, 22 meter breed en 15,4 meter
hoog. Sinds de jaren zestig is hij echter wegens instortingsgevaar gesloten
voor de scheepvaart.
|
|
In veel (maar niet alle) tunnels is aan een
of aan beide kanten een jaagpad of een remming, zodat de schepen op veilige
afstand van de ronde muur kunnen blijven. Behalve door middel van jagen
werden schepen ook vaak met behulp van tractie of door een
'toueur' (een schip wat zich voorttrekt aan een ketting die op de bodem
ligt) door de tunnel voortbewogen. Dat laatste systeem is nog steeds in
gebruik in de tunnels van Riqueval (Canal de Saint-Quentin)
en Mauvages (Canal de la Marne au Rhin). Op vaste tijdstippen vertrekt
de 'rame', de kettingsleper met een sleep schepen, naar de andere kant. 
In totaal zijn er zo'n veertig scheepvaarttunnels en -tunneltjes in Frankrijk. Een aantal is buiten gebruik.
Voor en na een tunnel zit vaak ook nog een smal stuk kanaal, met met aan beide zijden steile oevers of muren. Zo'n diep gelegen versmalling wordt 'tranchée' genoemd, en komt ook wel voor in (scheidings)panden zonder tunnels.
BRUGGEN
Bruggen
kun je verdelen in bewegende en vaste bruggen. Bewegende bruggen tref
je in Frankrijk hoofdzakelijk aan in kanalen. Er zijn klap-, hef- en draaibruggen,
in allerlei vormen en variaties. Bewegende bruggen worden bediend door
een sluismeester of bruggenwachter. Een aantal Franse
klapbruggen is geautomatiseerd. Sommige oude bewegende bruggen verkeren
helaas in slechte staat.
De oudste, nog in gebruik
zijnde, vaste bruggen zijn stenen boogbruggen. Een beroemd voorbeeld is
de Pont-Neuf in Parijs. De doorvaart van deze ronde bruggen, met veel
zware pijlers, was en is zeker bij veel stroming niet zonder gevaar.
Sinds het eind van de negentiende eeuw zijn er ook veel prachtige hang- en tuibruggen
gebouwd. Door allerlei nieuwe staal- en betonconstructies toe te passen
kan men tegenwoordig enorme breedtes overbruggen zonder hinderlijke pijlers
in het vaarwater.
Bij bruggen met meerdere doorvaartopeningen
wordt met gele, ruitvormige borden aangegeven welk gat voor schepen die van die kant komen
is bestemd. Twee gele ruiten betekent dat je (in principe…) geen tegenvaart hoeft te verwachten in die opening.
SLUISMEESTERSHUIZEN
Ook sluiswachtershuizen
kun je tot de kunstwerken rekenen: ze zijn meestal getekend door dezelfde
ingenieurs die ook de sluizen ontwierpen. En veel sluiswachters maken ware kunstwerkjes van hun tuin!
Alle sluismeestershuizen langs een kanaal zijn vaak in dezelfde, kenmerkende,
stijl gebouwd. De meeste huizen waren voorzien van een bord, waarop de
naam van het kanaal, van de sluis en de afstanden tot de eerstvolgende
sluis of belangrijke plaats werden vermeld.
Nu het merendeel van de sluizen geautomatiseerd
is of door mobiele sluismeesters bediend wordt, staan veel van deze
huisjes er verlaten en verwaarloosd bij. Dat ziet er niet alleen triest uit, maar geeft de vaarweggebruikers ook een onveilig gevoel. Ook zijn er al veel sluiswachtershuizen afgebroken.
|