|
GESCHIEDENIS
PREHISTORIE TOT ROMEINEN
MIDDELEEUWEN
DE TIJD VAN DE KANALEN
19e EEUW
20e EEUW
DE TOEKOMST
PREHISTORIE TOT ROMEINEN
Bij opgravingen zijn schepen van
zo'n drie tot zes meter lang gevonden, die 6500 jaar
geleden gebruikt werden voor het vervoer van hout. Veel
getuigenissen uit deze vroege tijd zijn er niet, maar vast
staat, dat er al voor de komst van de Romeinen in het huidige
Frankrijk een levendige handel in levensmiddelen en
grondstoffen bestond, waarbij het merendeel van deze goederen
over de rivieren werd vervoerd.
Tijdens de romeinse bezetting
beleefde de handel, en daarmee de scheepvaart, een grote
bloeiperiode. Karren werden enkel gebruikt voor het laatste deel van
het traject, of om onbevaarbare gedeeltes en waterscheidingen
te overbruggen. Zo werden producten als wijn van de
Middellandse zee naar de Seine, de Loire, en zelfs de Rijn
gebracht.
Ook de scheepsbouw was ten tijde
van de Romeinse verovering al hoog ontwikkeld. Er waren
diverse soorten schepen in gebruik, afhankelijk van het
vaargebied en de lading, variërend van eenvoudige
boomstamkano's en houtvlotten tot schepen met een grote
diepgang en een capaciteit van zestig ton. Deze schepen
werden voortbewogen door middel van jagen, roeien, bomen of
zeilen en combinaties hiervan.
DE MIDDELEEUWEN
Ook in de Middeleeuwen werd 85
procent van de goederen over water vervoerd, de grootste
hoeveelheden over de Loire, Seine, Rhône en hun
zijrivieren. .
Parijs was voor van de aanvoer van graan en hout
grotendeels afhankelijk van de binnenvaart. Het gilde van
de 'Marchands de l'Eau', anders dan de
tegenwoordige schippers tegelijk vervoerders en handelaren,
was dan ook een machtige groep met veel privileges. Een ander
belangrijk gilde was dat van de speciale stadsloodsen, omdat
de doorvaart van Parijs vanwege de sterke stroming en de
vele bruggen levensgevaarlijk was.
Het hout kwam
stroomafwaarts, van de boven-Seine en Yonne naar de
hoofdstad, per vlot of per schip. Sommige schepen
werden gebouwd voor één reis: samen met hun lading
gingen ze de kachel in of werden gebruikt als timmerhout. De
bemanning liep terug naar huis.
In de Middeleeuwen maakte men
hoofdzakelijk gebruik van natuurlijke waterwegen, waarvan de
bevaarbaarheid hier en daar wat verbeterd werd door
verdieping en verbreding van de vaargeul met behulp van
stuwen. Op de meeste rivieren konden echter slechts schepen
met een geringe diepgang varen. Wel waren er schepen van
allerlei afmetingen, zo'n vijftig verschillende types
zijn bekend.
DE TIJD VAN DE KANALEN
Al sinds de Romeinse tijd werden hier en daar kanaaltjes gegraven, bijvoorbeeld om een stad met een rivier te verbinden of een bocht af te snijden.
In de 16e eeuw kon men in Frankrijk langere kanalen gaan
aanleggen door twee uitvindingen: de schutsluis en het
kunstmatig gevoede scheidingspand. Het principe van de schutsluis is waarschijnlijk met Leonardo Da Vinci vanuit Italië naar Frankrijk gekomen. Door sluizen kan een kanaal hoogteverschillen in het landschap overbruggen en zo bijvoorbeeld twee rivieren met elkaar verbinden.
De Franse ingenieur Adam de Craponne legde in 1569 een
irrigatiekanaal aan in de Provence. Hij ontwierp ook plannen
voor bevaarbare verbindingskanalen en introduceerde daarbij
het scheidingspand. Het scheidingspand is het hoogst gelegen gedeelte van een verbindingskanaal. Dit moet kunstmatig van water voorzien worden, bijvoorbeeld door het omleiden van beekjes en/of de aanleg van een stuwmeer.
Het eerste kanaal met
scheidingspand was het Canal de Briare (1604-1642). Dit
zorgde voor een bevaarbare verbinding tussen het Seine- en
Loirebekken. Het werd gebouwd door Hugues Cosnier, die ook
allerlei technische verbeteringen invoerde als stenen
sluismuren.
Het volgende grote Franse
kanalenproject, het Canal du Midi (1666-1684), verbond zelfs
twee zeeën, de Atlantische Oceaan en de Middellandse
Zee, waarvoor een afstand van 240 kilometer en een hoogte van
192 meter werd overbrugd. Bouwheer en financier was Pierre
Paul Riquet, die als eerste een spaarbekken aanlegde om zijn
kanaal van water te voorzien. Behalve verbindingskanalen zijn er
ook lateraal-kanalen aangelegd, die evenwijdig aan een
onbevaarbare rivier lopen en door die rivier van water voorzien worden.
Ieder kanaal heeft z'n
verhaal. De mensen die het initiatief namen tot de aanleg van
een kanaal waren uiteenlopende persoonlijkheden: vorsten,
staatslieden, ingenieurs, avonturiers. Hun motieven waren
politiek, strategisch, economisch, egoïstisch of
idealistisch. Sommige kanalen werden bedacht en direct
aangelegd, bij anderen duurde de bouw soms tientallen jaren
door oorlogen, regeringswijzigingen of geldgebrek. Ook zijn
er veel plannen gemaakt die nooit zijn uitgevoerd. In de loop
van de 17e, 18e en 19e eeuw werden er zo talrijke grote en
kleine kanalen aangelegd, door het hele land heen.
Omdat de
sluizen overal van afmetingen verschilden ontstonden er, net
als op de rivieren, verschillende typen schepen. Een sociaal
gevolg van het ontstaan van kanalen is dat de binnenvaart een
gezinsbedrijf werd. De riviervaart was altijd ruw mannenwerk
geweest, terwijl de vrouwen en kinderen aan de wal woonden.
In de loop van de 18e eeuw werden de reizen groter, door de
verbindingskanalen, waardoor men verder en langer 'van
huis' was. Voortaan woonde het gezin aan boord en nam de
vrouw een deel van het werk op zich.
DE 19 e EEUW
|
Gabarit Becquey
|
| Lengte : 30,40 M
|
| Breedte : 5,20 M
|
| Doorvaarthoogte : 3,00 M
|
| Diepte : 1,60 M
|
Louis Becquey, in de jaren 1820
directeur van de 'Ponts et Chaussées'
(rijkswaterstaat), streefde als eerste naar de aanleg van een
echt vaarwegen-net. Het 'plan Becquey' leidde niet alleen tot de bouw van
veel nieuwe kanalen, dankzij een vernieuwend
financieringssysteem, maar ook tot een standaardisering van
de afmetingen van de kunstwerken op de bestaande vaarwegen.
Het midden van de 19e eeuw was een
kritieke periode voor de Franse binnenvaart. Beleidsmakers
gaven over het algemeen de voorkeur aan de aanleg van
spoorwegen boven kanalen. Tussen de scheepvaart en de
spoorwegen ontstond een hevige concurrentieslag over de
vrachtprijzen. In tegenstelling tot wat er bijvoorbeeld in
Engeland gebeurde, slaagden de spoorwegmagnaten er echter
niet in de Franse scheepvaart de nekslag toe te dienen. Dit
is vooral te danken aan een hoge ambtenaar, Franqueville, die
wilde voorkomen dat de spoorwegen een monopoliepositie zouden
verkrijgen.
Een volgende belangrijke figuur
was de Baron van Freycinet. Als minister van Openbare Werken
stelde hij in 1879 een plan op om de ontwikkeling van de
Franse zware industrie te stimuleren, door de
transportmogelijkheden van grondstoffen (vooral steenkool) te
verbeteren. Met name voor de scheepvaart had dit grote
gevolgen: enerzijds werd besloten tot de aanleg van nieuwe
vaarwegen, anderzijds tot de modernisering van bestaande
kanalen. Naast nieuwbouw (uiteindelijk 468
km) werd er vooral gemoderniseerd (2453 km). De verbetering
bestond hoofdzakelijk uit een standaardisering van de
afmetingen van de voor de industrie meest belangrijke
kanalen, wat voor de meeste kanalen een schaalvergroting
inhield.
|
Gabarit Freycinet
|
| Minimale maten kanaal
|
Maximale maten schip
|
| Lengte : 40,00 M
|
Lengte : 38,50 M
|
| Breedte : 5,20 M
|
Breedte : 5,00 M
|
| Doorvaarthoogte : 3,70 M
|
Hoogte 3,50 M
|
| Diepte : 2,20 M
|
Diepgang : 1,80 M
|
Freycinet legde in zijn wet de minimale afmetingen
van de vaarwegen vast. Deze maten waren gebaseerd op de
afmetingen van een scheepstype uit het noorden, dat
'péniche flamande' of 'spits' werd
genoemd. Uiteindelijk had dit tot gevolg dat de spits, in het
Frans meestal '(type) Freycinet' of '38
mètre' genoemd, in Frankrijk het meest gangbare
scheepstype werd.
Een andere beweegreden van Freycinet was zijn
streven naar vooruitgang in het algemeen. Dit uitte zich bijvoorbeeld in het bevorderen van mechanische voortbeweging van schepen. In de kanalen werd het jagen van schepen door mensen
verboden. Er werden diverse vormen van mechanische, en later
elektrische, tractie op de oevers en over de bodem
uitgeprobeerd. De rivierscheepvaart was in tweede helft van
de 19e eeuw ook sterk gegroeid. Door de uitvinding van de beweegbare stuw werden ook grotere rivieren gekanaliseerd. Voor de voortbeweging zorgden hier
vooral (stoom)sleepboten.
DE 20 e EEUW
Vergeleken met de voorafgaande
eeuwen hebben er in de 20e eeuw in korte tijd grote veranderingen in de
binnenvaart plaats gehad, in goede en in slechte zin. In de scheepsbouw vond een
ontwikkeling plaats van houten naar stalen schepen,
aanvankelijk geklonken, later gelast. De voortbeweging
verschoof van jagen, via tractie, naar eigen
voortstuwing door middel van dieselmotor en schroef.
Al deze
ontwikkelingen zijn door de beide Wereldoorlogen versneld
hoewel (of juist doordat) er veel schepen beschadigd en
vernietigd zijn. Tot in de jaren 1960 zijn er nieuwe
spitsen gebouwd in Frankrijk, daarna werd de voorkeur gegeven
aan grotere schepen, bijvoorbeeld van het 'Canal du
Nord'-type. De afmetingen van deze schepen zijn gebaseerd
op die van het gelijknamige kanaal, dat in 1966 geopend
werd.
Sinds de jaren 1960 zijn vooral de vaarwegen van Freycinet-afmetingen sterk verwaarloosd. Kanalen zijn ondiep
geworden, oevers ingestort en sluismuren en deuren verzakt, wat vaak
langdurige stremmingen tot gevolg heeft. Pas de laatste jaren
lijkt er een omslag te bemerken. Maar na decennia van
verwaarlozing is herstel extra kostbaar en voorlopig
zijn deze werkzaamheden dan ook vaak een druppel op een
gloeiende plaat. Ook wordt het weinige beschikbare geld soms niet voor
structureel onderhoud gebruikt, maar voor
niet direct noodzakelijke projecten als automatisering van
sluizen.
Naast
de slechte toestand van de vaarwegen zagen veel schippers
zich in de tweede helft van de twintigste eeuw geconfronteerd
met een teruglopend ladingaanbod. Traditioneel belangrijke
ladingsoorten als steenkool verdwenen. Bovendien kwam er een
tweede grote concurrent, naast de trein, de
vrachtauto. De binnenvaart kreeg een ouderwets,
negatief imago bij verladers, beleidsmakers en het grote
publiek. Als gevolg van dit alles zagen veel schippers het
niet meer zitten en zijn er honderden spitsen gesloopt of
omgebouwd tot woonschip (wat in veel gevallen helaas op hetzelfde neerkomt…).
DE TOEKOMST
Sinds het eind van de
twintigste eeuw is de situatie voor de binnenvaart
er over het algemeen weer wat rooskleuriger uit gaan
zien. Doordat de wegen en spoorwegen overal verzadigd
raken is de belangstelling voor vervoer over water
weer toegenomen, zowel bij overheden als bij het
bedrijfsleven. Daarnaast is
vervoer per schip natuurlijk niet alleen minder belastend voor de
omgeving, maar ook goedkoop, veilig en betrouwbaar.
Ook voor spitsen is een toekomst weggelegd, mits de kleine vaarwegen
onderhouden worden, er geen onrealistische technische eisen gesteld worden en de vrachtprijzen door schaalvergroting niet teveel onder druk gezet worden. Veel
bedrijven zijn aan klein vaarwater gevestigd, of kunnen of willen geen
duizenden tonnen ineens verwerken. Hoewel er nog steeds geen nieuwe 'echte' spitsen gebouwd zijn, zijn de bestaande schepen vaak grondig gemoderniseerd en doen qua uitrusting niet onder voor hun grotere broers. De laatste jaren is er een toenemende belangstelling voor de spitsenvaart, zowel onder jonge als oudere schippers (zij-instromers en herintreders).
|